Waar is de huisarts van vroeger?
Bem Bruls is huisarts in Gezondheidscentrum Hoensbroek Noord en al jarenlang medisch bestuurder van de Huisartsen Oostelijk Zuid-Limburg. Ze ging per 1 maart met pensioen. Een mooie gelegenheid om terug te kijken met Nummer 1. Het te hebben over een mooi vak op de oude en de nieuwe leest. Gesprek met een huisarts pur sang in een regio met veel zorgproblematiek.
Door Jos Benders, arts-redacteur
U hebt het vak van huisarts sterk zien veranderen. Van de dokter op het dorpsplein, notabele naast de notaris en de pastoor. Wat was goed aan het oude en was is beter aan het nieuwe?
‘De huisarts van nu is niet meer de notabele op het dorpsplein, naast de notaris en de pastoor. Dat beeld hoort bij een andere tijd. Mensen waren minder mondig, hadden weinig toegang tot informatie en namen adviezen meestal zonder veel overleg over. Die tijd is voorbij - en dat is niet alleen verlies. Patiënten zijn tegenwoordig beter geïnformeerd, zelfstandiger en willen meebeslissen. Dat vraagt een andere houding van de huisarts, een die past bij deze tijd.’
Toch hoor ik nog vaak mensen verzuchten: Waar is de huisarts van vroeger?
‘Dat begrijp ik. Waar vroeger een huisarts soms meerdere generaties binnen één gezin begeleidde, zijn patiënten nu veel mobieler. Ze verhuizen, wisselen van praktijk en nemen hun medische geschiedenis digitaal mee. Je ziet mensen vaak maar een deel van hun leven of in een specifieke fase waarin ze zorg nodig hebben. Dat verandert ook de relatie. Dus ook de patiënt is veranderd.’
De nieuwe huisarts als spil tussen gemeenten, welzijnswerk en zijn patiënten. Past die jas?
‘Bedenk daarbij dat chronische aandoeningen, psychische klachten en een groeiende zorgvraag zijn verschoven naar de huisartsenpraktijk. Dat kan een huisarts niet meer alleen. Waar vroeger één huisarts met een assistente werkte, is zorg nu teamwerk. Praktijkondersteuners, verpleegkundigen en andere professionals zijn onmisbaar geworden. Meer gezichten dus, iets waar patiënten soms aan moeten wennen. Tegelijk weten nu meer mensen iets van de patiënt, en dat kan de kwaliteit van zorg juist verbeteren. Mits je als team goed samenwerkt.’
De huisarts moet de tijd hebben het andere gesprek te voeren, hoor ik u zeggen. Wat voor gesprek is dat?
‘Cruciaal is tijd. Tijd voor wat ik het andere gesprek noem. Als je maar tien minuten hebt en iemand komt met rugklachten, is de neiging groot om snel door te verwijzen. Als je meer tijd hebt, kun je onderzoeken wat die klacht betekent in iemands leven. Vaak blijkt dat klachten samenhangen met stress, werkdruk of onzekerheid en dat afwachten of uitleg voldoende is. Dan blijft de patiënt niet passief in het zorgcircuit hangen, maar begrijpt hij wat er speelt en wat hij zelf kan doen. Dat levert winst op voor patiënt én samenleving.’
Is er voldoende begrip bij nieuwe naamgevingen zoals PlusPraktijk en PlusWijk? Stel, ik heb maagpijn. Mijn eerste gedachte gaat uit naar geholpen te worden. Waar vind ik de richtingaanwijzers en de uitleg?
‘Voor patiënten zelf zijn die termen nauwelijks relevant. Iemand met maagpijn wil geholpen worden. Die meldt zich bij de huisartsenpraktijk en hoeft niet te weten of dat een PlusPraktijk is. Die begrippen zeggen vooral iets over de organisatie en samenwerking, niet over de ingang tot zorg. Voor de patiënt moet er één duidelijk loket blijven.’
Sst, de volgende vraag stel ik heel zachtjes. Vaak knorren artsen over de onverzettelijkheid van zorgverzekeraars. Uit publicaties over uw nieuwe initiatief lees ik dat zonder CZ de nieuwe structuur niet mogelijk zou zijn geweest. Nieuwe liefde? Duurzaam ook?
‘Over zorgverzekeraars wordt vaak gemopperd, kan ik erkennen. Ze zijn bureaucratisch, dat hoort bij hun taak om kosten te beheersen. Maar mijn ervaring is genuanceerder. Als je als huisarts of zorggroep met goed onderbouwde plannen komt en kunt laten zien dat ze de gezondheid verbeteren en erbij mogelijk kosten besparen, dan kan samenwerking juist veel opleveren. In de afgelopen jaren werkte ik intensief samen met CZ. Dat gaf ruimte om te experimenteren en initiatieven structureel te ondersteunen. Dat meedenken op lange termijn was bijzonder.’
U hebt een van de zwaarste beroepen die er bestaan lang volgehouden, bent bijna 68. Op welke inbreng van uw kant kijkt u met trots terug?
‘Ik kijk met tevredenheid terug, vooral op het begin van de PlusPraktijken. We startten met vijf praktijken. Inmiddels doen in oostelijk Zuid-Limburg alle praktijken mee. En het breidt zich uit naar andere regio’s. Wat me daarin altijd heeft gedreven, was samenwerken en vernieuwen. Nieuwe werkwijzen ontwikkelen heb ik nooit als zwaar ervaren, maar als inspirerend. De combinatie van praktijkwerk en organisatorische taken hield het vak boeiend.’
En wát neemt u mee als blijvende herinnering?
‘Ik heb het gedaan op mijn manier, binnen de omstandigheden van dat moment. Zo kon ik het doen. Veel is veranderd, maar de essentie blijft. De kern van huisartsenzorg is nog steeds: mensen kennen, hun context begrijpen en samen zoeken naar wat helpt.’




