Kies een categorie
Zoeken binnen exclusief
terug naar overzicht

Alle categorieën

Een interview uit 1997 met Toon Hermans

Een interview uit 1997 met Toon Hermans

Het interview met Toon Hermans op deze pagina’s vond plaats in 1997 (Nummer 1 editie 128, april 1997), op tachtigjarige leeftijd, drie jaar voor zijn overlijden. Jean Nelissen, destijds verantwoordelijk voor de coördinatie van Nummer 1, interviewde Toon in zijn huis in Bosch en Duin. Fotograaf Tonny Strouken bracht de Sittardenaar mooi in beeld. Een van de foto’s sierde de cover.

Door JEAN NELISSEN | Fotografie TONNY STROUKEN

Het is al elf uur. Maar hij heeft die ochtend, om zijn stem te sparen, nog geen woord gesproken. Twee zware avonden achter de rug, televisieregistratie van zijn show in Maastricht. Zijn stembanden zijn fragiel. ‘Altijd geweest’, zegt hij, ‘vanaf mijn veertigste.’

Hij herinnert zich precies wanneer zijn stem kwetsbaar werd. ‘Ik stond in Carré en ik zong iets met een i, een heel hoge noot. Toen voelde ik dat er wat in mijn keel scheurde, een bandje. Ik heb er nooit iets aan gedaan. Ik neem dropjes en tijmhoning. Meer niet.’ Twintig jaar geleden liet zijn stem hem een keer finaal in de steek. ‘De schouwburg in Eindhoven was uitverkocht. Een half uur vóór het begin van de show lag ik in hotel Cocagne met mijn kleren aan op bed. Ik kon ineens niet meer praten. Een vreemde ervaring.’ Hij is tachtig, onderging dertien jaar geleden een bypassoperatie (‘Ze hebben de bedrading verlegd’), maar er zijn voor het komende seizoen alweer honderd nieuwe optredens gepland. Toon Hermans kan met Maurice Chevalier en Bing Crosby gerangschikt worden in het rijtje illustere showmasters, dat meer dan een halve eeuw op de bühne stond. Zijn show is van een geheel ander genre natuurlijk, maar hij heeft met de andere koningen van het theater die zweem van onvergankelijkheid gemeen.

De nacht ervoor heeft hij tot twee uur gewerkt. Dat is hem niet aan te zien. Behalve dat hij af en toe hoest, ziet hij er goed uit. Strak en gezond. Een kwestie van discipline. Elke dag een uur buiten in de tuin op de hometrainer zwoegen. In de winter soms met sneeuwvlokken, dwarrelend rond zijn hoofd, of in de stromende regen. Elke dag lange wandelingen in het bos. En bovenal zuinig leven. Dat heeft hij niet altijd gedaan. Er waren tijden dat hij zestig tot tachtig sigaretten per dag rookte, hij hield van een glas whisky. En als het heel druk was, zag hij ook wel eens een nacht zijn bed niet. Hij kon ook een hele nacht zitten schrijven. ‘Ik heb toen een beetje slordig geleefd’, geeft hij toe. 

Al vóór de oorlog verliet hij Sittard én de trauma’s uit zijn jeugd. Hij werd op de zeventiende december 1916 in de statige villa Zomerlust aan de deftige Parklaan in Sittard geboren als Antoine, Gérard, Theodore Hermans, een van de vier zoons van de bankier Jean, Baptiste, Nicolas Hermans, oorspronkelijk afkomstig uit Bingelrade, en moeder Maria, Elisa, Josephina Dullens uit Sittard. Door de val van de Duitse Reichsmark, die in de jaren twintig en dertig het economische leven in Sittard beheerste, verloor de welgestelde bankier Hermans zijn geld. Hij stierf kort na de financiële rampspoed.

Moeder Hermans, die deftig Frans sprak, dat ze bij de zusters Ursulinen geleerd had, moest met haar vier opgroeiende jongens de riante villa Zomerlust met haar achttien kamers, waarin later de afdeling kraamzorg van het Groene Kruis werd gevestigd, verlaten. Ze ging uiteindelijk wonen in een eenvoudig rijtjeshuis aan de Odasingel. Van enige luxe was geen sprake meer, ze hadden nog slechts een beuken tafel en een paar stoelen. Toon ging na de lagere school naar de mulo. Hij voetbalde een tijdje en bleek een balverliefde pingelaar. Later verdiende hij de kost als etaleur en decorateur. In de weekends zong hij in cafeetjes en trok hij door de regio om in armetierige gehuchten in povere zaaltjes, vaak achter een café gelegen, tegen een schamele vergoeding als clown op te treden. Toen hij vijftien was, had hij in de stadsschouwburg in Heerlen de geniale clown Johan Buziau (1877-1958) aan het werk gezien. Buziau werd zijn geestelijke vader. Toon kon hem meesterlijk imiteren. Maar in die beginjaren had niemand een vermoeden dat hij nog eens tot ereburger van de stad Sittard benoemd zou worden en dat ooit mensen in Veenendaal en Antwerpen in slaapzakken op straat de nacht zouden doorbrengen, om als eersten kaartjes voor zijn onemanshows te bemachtigen. 

Achteraf verliep zijn leven als in een droom, hoewel hij door pijnlijke gebeurtenissen, zoals bij de dood van zijn geliefde vrouw Rietje op de zestiende november 1990, soms ook op een wrede manier ontwaakte. Maar die eerste dag, toen hij afscheid nam van Sittard en - zoals hij het zelf noemt - van de duisternis op weg was naar het licht, op weg naar Amsterdam, vergeet hij nooit. ‘Ik stapte uit de trein op het Centraal Station en zeulde met een grote koffer, waarin pruiken, baarden en hoeden waren opgeborgen, over het Damrak. Ik had geen idee waar ik zou belanden. Ik liep een straat in en las op het bord Marnixstraat. Intuïtief stopte ik bij een huis, keek omhoog en vond het een aardig huis. Ik belde aan. Vanaf de eerste verdieping werd met een touw de voordeur opengetrokken. Er stond dus niemand achter de deur. Dat vond ik heel vreemd. Want als je in Limburg ergens aanbelde en de deur ging open, dan stond er altijd iemand achter. Een mannenstem van boven vroeg: “Wat wilt u?” Ik vertelde dat ik een kamer zocht. De man zei: “Een ogenblik, ik roep mijn zus”. Er verscheen een bol vrouwtje. “Wat kan ik voor u doen?”, vroeg ze. Ik herhaalde dat ik een kamer zocht. “Voor hoelang?”, vroeg ze. Ik antwoordde: Niet voor lang, alleen voor vannacht. “Kom maar boven,” zei het vrouwtje. Ik kreeg een kamertje van enkele vierkante meters. Er stond een tafel met een stoel en een bed. Uit een kraantje kon je water tappen. Door een soort wc-raampje kon ik naar buiten kijken. Ik ben er niet één nacht, maar twaalf lange jaren gebleven. Dat vrouwtje heeft mij de oorlog door geholpen.’ 

De oorlog. Hij stond in Rotterdam op de planken en had een conference met kritische teksten over Adolf Hitler. Op een avond wachtte een SS’er hem op in de coulissen. Op barse toon verzocht hij Toon zich de volgende dag te melden bij de Ortskommandant. ‘Ik dacht: Dit is het einde, je gaat naar een concentratiekamp. De Ortskommandant vertelde dat twee NSB’ers me hadden aangegeven. Ze hadden al mijn teksten opgeschreven en in het Duits vertaald. Gelukkig had de man enig gevoel voor humor en uiteindelijk liet hij me gaan.’

In 1954 begon hij met zijn onemanshow te experimenteren. Op de zesde december 1963 stond hij met zijn eerste onemanshow in Carré. Twee maanden lang was Carré met 2000 toeschouwers avond aan avond uitverkocht. Sindsdien zijn er duizenden voorstellingen gevolgd. ‘Vraag me niet hoeveel, dat weet ik bij benadering niet. Iets optellen hoort niet bij mijn leven. Als kind kreeg ik een telraam. Ik dacht toen al: Wat moet ik met dat ding? Ik weet geen enkel jaartal. Toen Rietje nog leefde en ik was jarig, zong ze in de keuken bij het ontbijt: Lang zal hij leven. Dan wist ik dat ik jarig was. Ik zal wel van die bepaalde merkwaardigheden hebben, anders was ik niet de rare vent die ik ben. Ik merk aan veel dingen dat ik anders ben dan de doorsneemens. Als ik niet zo in elkaar zou steken, dan had ik waarschijnlijk niet kunnen doen wat ik in al die jaren gedaan heb.’

Hij is 24 keer verhuisd. Woonde in Amsterdam, Zandvoort, Bloemendaal, Maastricht, Hilversum en nu in Bosch en Duin bij Zeist. Was het latente onrust, die hem voortdreef? ‘Nee’, antwoordt hij, ‘ik heb er geen verklaring voor. Het mooiste zijn de dingen die je niet kunt verklaren. Ineens kom je op de hoek van de straat iemand tegen die je liefhebt. Ga je niet die hoek om, dan kom je je geliefde nooit tegen. Dat zijn van die onverklaarbare dingen. De kracht zit in het mystieke.’

In de loop van tientallen jaren hebben vele journalisten een poging gedaan het fenomeen Hermans te ontleden. De Belg René Leeters uit Overpelt promoveerde aan de universiteit in Leuven tot doctorandus in de theologie en filosofie op zijn proefschrift De Toonologie. Een wetenschappelijke verhandeling over het werk van Hermans. ‘De echte Toon is een razendknappe vakman die de taal hanteert als een jongleur met woorden’, luidde zijn conclusie. ‘Ach’, zegt Toon, ‘misschien ben ik wel de kachel waaraan mensen
zich een beetje willen warmen. Lachen stimuleert de bloedsomloop.’ Hij draagt jeans en een eenvoudige trui. Zijn secretaresse Mieke, die al twintig jaar bij hem is, heeft juist in Maastricht een nieuwe pet voor hem gekocht. ‘Ik ga nooit naar buiten zonder pet en zonnebril. Een beetje vermomming helpt, anders kun je geen honderd meter afleggen zonder dat iemand je aanspreekt.’ 

Het thema God. Toon heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij religieus bewogen is. God was hét thema van de Boekenweek en welhaast als vanzelfsprekend werd Toon Hermans gevraagd om het boekenbal te openen. ‘Dat heb ik natuurlijk geweigerd’, zegt hij, ‘ik vond het niet passend, God en het boekenbal.’ ‘God is alles wat in beweging is, tot en met het heelal. God is heel groot. En het is ook niet noodzakelijk dat je Hem begrijpt. Maar God associëren met zo’n bal, dat ging me te ver.’ 

Een maand geleden ontmoette hij een mevrouw, een doctor in de theologie. ‘Ze zei: “Mijnheer Hermans, u bent paranormaal begaafd”. Ik dacht: Onzin, dat is niks voor mij. Maar toen herinnerde ik mij dat professor Van Praag dat ook ooit gezegd heeft.’ ‘Enfin, ik ging ’s middags fietsen en ik begon na te denken over gebeurtenissen uit het verleden die zouden kunnen wijzen op enige vorm van bovenzinnelijkheid. In een mum van tijd had ik er meer dan tien in mijn hoofd. Toen ik thuiskwam, heb ik er een paar opgeschreven.’ Zoals? ‘Het was 1974 en we woonden nog in Maastricht. Mary, de vrouw van mijn zoon Maurice, was in verwachting. Ik keek naar haar en ik zei: Het wordt een tweeling. Daar werd toen om gelachen. Maar een half jaar later werd de tweeling Antoine en Rafael geboren.’ ‘Een paar dagen geleden telefoneerde ik met Camille Oostwegel. In 1982 logeerden Rietje en ik in Kasteel Erenstein in Kerkrade, zijn eerste hotel-restaurant. Ik had Camille nooit eerder ontmoet. Ik zat met Rietje aan tafel en plotseling zei ik: Die man krijgt vijf hotels. Ik vertelde het ook aan Camille. En daar heb ik hem dezer dagen aan herinnerd.’ Telefonisch bevestigt Camille Oostwegel het voorval. Vijftien jaar later bezit hij inderdaad vijf hotels en restaurants: Erenstein, De Brughof, Château Neercanne, Winselerhof en Château Sint Gerlach. Toon kijkt naar zijn secretaresse en zegt: ‘Dat zijn toch rare dingen?’ Mieke knikt.

Na de dood van Rietje kreeg hij duizenden brieven van mensen die met hem meeleefden. Hoe komt hij nu zijn dagen door? ‘Als ik moet optreden zijn de shows de highlights van de dag. En voor de rest helpen drie vrouwen mij erdoor. Mieke, mijn secretaresse die zelf een gezin met zes kinderen heeft, en mijn schoondochters Linda en Mary. Die drie vrouwen wisselen elkaar af. Het valt niet altijd mee. Eigenlijk zou je het liefst iemand willen hebben die helemaal van jezelf is. Maar ik heb niet meer naar een vrouw gezocht. Er komt toch geen tweede Rietje in mijn leven.’

Resultaten

204 resultaten

Nummer 1 Leden Inlog

U kunt hieronder inloggen om deel te nemen aan onze lezersacties.

E-mail adres  
Wachtwoord  

Wachtwoord vergeten?
Maak een nummer1 account aan