Kies een categorie
Zoeken binnen exclusief
terug naar overzicht

Alle categorieën

De grote Rik Van Looy als stille gregario van eega Nini
  • De grote Rik Van Looy als stille gregario van eega Nini
  • De grote Rik Van Looy als stille gregario van eega Nini
  • De grote Rik Van Looy als stille gregario van eega Nini

De grote Rik Van Looy als stille gregario van eega Nini

Hugo camps op bezoek bij Rik van Looy (86), Wielerlegende en mantelzorger

Het is middag in Herentals. Nini blijft op haar kamertje, in bed. Ze laat zich niet zien, niet voor een groet, niet om de bloemen in ontvangst te nemen. De 88-jarige diva van het peloton zit in een rolstoel en vergeet soms namen. Die aftakeling draagt ze alleen, buiten het zicht, in afzondering. Het is haar trots, zegt fulltime mantelzorger Rik Van Looy. Zijn leven is een klein jaar geleden drastisch veranderd. Na een dubbele operatie wou zijn eega zich niet meer toeleggen op revalidatie. ‘Als ze het wel had gedaan, zou ze nu nog kunnen lopen’, zegt de keizer van Herentals gelaten. ‘Nu kom ik ook nergens meer. Ik blijf bij ons ma, in afwisseling met mijn dochter en kleindochter. We laten haar niet alleen.’

Door Hugo Camps | Fotografie Tonny Strouken

De grote Rik Van Looy nu als stille gregario van Nini, het went niet. Het doet deze fan van het eerste uur toch een beetje pijn. De keizer fulltime van Nini, zoals hij destijds fulltime van de fiets was – het is een kleine apocalyps. ‘Zonder haar ga ik nergens naartoe. Ook niet naar mijn geliefde restaurants. We laten al het lekkers thuis komen.’
Het offer van de liefde gaat ver. Nini gaat ten laatste om zeven uur naar bed. Rik kruipt mee onder de lakens. Gezellige avonden met vrienden zijn hem afgenomen, maar hij treurt niet. ‘Nini gaat voor. Zij heeft vroeger zo veel voor me gedaan, nu is het mijn beurt.’ Dat heet vergroeid zijn.
Nini laat zich de hele namiddag niet zien. Ze blijft boven in haar kamer. De warme ontvangst van de bezoeker is in handen van dochter Louise die 65 wordt, maar veel van de schoonheid van Nini heeft overgenomen. Gastvriendelijker dan Louise worden ze in de Kempen niet meer geboren. Louise is er ook als gregario van mama. Met hart en ziel.

Na een uur ten huize van Rik Van Looy hoor ik mezelf denken: Wat een warme mensen voor elkaar, wat een symbiose. Rik kent geen bitterheid over het lot van zijn vrouw. ‘Ik leg mij neer bij het onvermijdelijke. Mijn vrouw is nog steeds een rots van trots, maar nu tussen haar vier muren. Jammer, maar zo is het leven.’ Zijn gezicht klaart op. Vreugde bestaat nog. ‘Vanavond is het feest: pekelharing met ajuinsaus. Een lekkernij uit de oude doos.’ Sommige fijnproevers noemen dat armemensenvoedsel. ‘Daar ben ik gauw klaar mee: armemensenvoedsel bestaat niet. Kaviaar is mij ook bekend, maar soms is biefstuk met friet veel lekkerder. Naast een goede chef is de gemoedstoestand het belangrijkste om lekker te eten. Vroeger hadden we minstens om de veertien dagen een familiediner: kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen, de hele hap. Door de ziekte van Nini is dat weggevallen en dat is een open wond. Lekker eten in goed gezelschap, wat kan genot voor een man van bijna 87 nog meer zijn, Hugo? Eten is leven, vooral met familie en vrienden. Ik hou van een volle tafel waar gemoedelijkheid mee uit het bord dampt. Je spreekt anders bij een goed diner, de gesprekken zijn vriendelijker, ronder, minder stekelig. Ja, met het tongreepje glipt ook iets van vredigheid mee naar binnen.’

Scherp als een mes
Diëten is aan de keizer van Herentals niet besteed. Hij staat scherp als een mes, weegt onveranderd zeventig kilo. Moeiteloos, zegt hij. ‘Ik rijd een halfuurtje op de rollen en ga een kwartiertje roeien. Dat zijn nu mijn sportprestaties van de dag. Ik heb nog ouwe rollen, met zo’n touw. Vroeger reed ik nog weleens vijftig kilometer buiten, maar nu wil ik in de buurt van Nini blijven. Zij heeft zo veel voor mij gedaan.’
Hoewel: vanuit haar rolstoel bestuurt de vroegere sensatie van de koers nog even autoritair het leven van de gewezen superkampioen. Vanmorgen nog decreteerde ze dat Rik zich moest omkleden voor het gesprek en de foto’s met Het Laatste Nieuws. ‘Geen verrimpelde jogging vandaag, gestreken hemdje.’

Absolute patron
Er is op Eddy Merckx na geen renner die het peloton zo genadeloos geranseld heeft als Rik Van Looy. De keizer van Herentals heerste en verdeelde als een echte leider. Opgegroeid als losbollige straatbengel veroverde hij zienderogen staatsie en gezag. Rik werd de absolute patron van het internationale peloton. Om zich heen verzamelde hij de Rode Garde, een topteam. Vergelijkbaar met Quick-Step. De onderlinge solidariteit was ongezien. Van Looy werd twee keer wereldkampioen en won alle klassiekers. Zonder die zware val in de etappe naar Pau had hij in 1962 wellicht ook de Tour de France gewonnen. Hij vond kampioenen als Van Steenbergen en Merckx op zijn weg, maar voltooide zijn palmares. In een onnavolgbare stijl en met een niet in te oefenen grinta. Rik was de nooit rustende oorlogshitser van de meute en maakte zijn veldslagen zelf af. Veel terugkijken wil hij niet. Hij schuwt de grote woorden en maakt nooit gebruik van de overtreffende trap. Ook vandaag op zijn schitterend terras van gemillimeterd gras spreekt hij over zijn winst in Parijs-Roubaix alsof het om een onnozel sprintje ging. Goddelijke Dichtung wijst hij resoluut af. ‘Ik heb Parijs-Roubaix altijd een makkelijke koers gevonden. Op de kasseien kon je iedereen wegranselen uit je wiel. Blijven doortrappen en je komt vanzelf als eerste in de Vélodrome. Je hoeft echt geen tactisch genie te zijn om de klassieker in de Hel van het Noorden te winnen. Dan vraagt de Ronde van Lombardije meer inzet en klasse. Ik had hem drie keer moeten winnen, was vooruit met Fred De Bruyne. Die ging op vijfhonderd meter van de meet linkeballen. We stonden helemaal stil. Nino Defilippis won op zijn één been.’
Dat Parijs-Roubaix nu in het najaar wordt gereden, gaat er bij hem niet in. ‘Het najaar heeft zijn eigen klassiekers en Parijs-Roubaix hoort bij het voorjaar. Van het kalendergehussel deugt helemaal niets. Ik weet ook wel dat het om geld gaat, maar je kan van traditie geen heksenketel maken. Dan sterft de traditie. Iedereen is bang dat de coronageneratie niet genoeg zou koersen. Wij lagen in onze tijd ook drie, vier maanden stil in de winter en hebben het ook overleefd. Ik proef paniek bij de UCI en ASO: altijd al een slechte raadgever. De koers is niet dood door het oponthoud van corona. En de grote wielerteams blijven ook wel bestaan. Precairder is het lot van renners die er als cadeautje bij werden genomen. Dat feestje is na corona uit. Er zal veel afval zijn.’
Dochter Louise pakt uit met verfijnd gebak: millefeuille. En met een overvloedige kaasplank. Het valt weer op hoe gracieus ze is. Rik drinkt een biertje uit het flesje. Gebak en kaas laat hij links liggen. Niet moeilijk dat hij nog zo scherp als een mes is. Nergens een spat vet, geen onderkin, hij kan zo in de regenboogtrui stappen. ‘De zorg voor het lichaam heb ik altijd gehad. Dat moest ook van Nini. Ik ga een paar oesters en een kreeftje niet uit de weg, maar ik ben niet het type dat zich volpropt. Alleen van brood kan ik niet afblijven. Dat was als renner ook al zo. Als we op stage waren in Italië, dwarrelden de kreten brood en boter tot aan de overkant van de straat. We zorgden ervoor dat we voldoende pistolets in de koers mee hadden. Ook op training. Ik begrijp de hedendaagse renners met hun gellekes niet. Een zware klassieker rijd je niet op astronautenvoedsel. Ik zeg niet dat de renners nu ’s ochtends zich moeten voltanken met biefstuk en spaghetti zoals in mijn tijd gebruikelijk was, naar er mag nog steeds stevig gegeten worden. Een coureur leeft niet van voedingssupplementen alleen. Het zijn dwaallichten die het peloton met een gelleke de Hel van het Noorden in sturen. Er zijn nog veel taboes over eetgewoonten.
Ik zorgde er in de tijd dat we trainden aan het Gardameer voor dat we een keer friet kregen. De volgende dag vlogen de ploegmaats als zwaluwen, Willy Schroeders en Edgard Sorgeloos voorop. De zogenaamde verwetenschappelijking van het wielrennen is soms ook een luchtbel. Ik wijs niet alles af van specialisten, maar ik wil mijn gezond verstand blijven gebruiken. Zoals generaties renners dat voor mij hebben gedaan.’

Family man
Van Looy onderbreekt zichzelf voor een paar grimassen naar zijn achterkleinkind. Rik en kleutertoneel: ik had het niet verwacht, maar hij fraselt met veel overtuiging. Jammer, de lach van het wichtje volgt niet.
Het verbaast me dat de wereldkampioen zo intens met zijn familie bezig is. Het lijkt wel of hij van een lange reis thuiskomt. ‘Ik ben altijd een family man geweest, ook als renner. Mijn moeder was een hartstochtelijk supporter van mij toen ik nog bij de amateurs reed. Ik zie de trots nog klimmen in haar ogen. Nini koos haar koersen uit, ze was niet zo fanatiek. De kinderen heb ik ook nooit overladen met heroïsche gezangen over mezelf. Er was wel harmonie in het gezin. Ik was liever voetballer dan wielrenner geworden, had ook wel talent, maar niet genoeg. Ik werd vroeger afgeschilderd als een egoïstische kopman, maar ik besteedde juist veel aandacht aan de teamspirit. De Rode Garde was een steengoed team dat ik lang bij elkaar heb kunnen houden. Als renner ging ik tot het uiterste, maar ik bleef een pacifist. Altijd op zoek naar eensgezindheid. Dat is me bij FAEMA en Solo-Superia gelukt. We waren een granieten blok. Speelvogels met discipline. Dat ging niet met de karwats kan ik u zeggen. Er werd binnen de groep veel gepraat.’

Rik Van Looy was als de dood dat zijn kinderen niet zouden overeenkomen bij de verdeling van zijn bezit. Glunderend: ‘De notaris zei bij de verdeling dat hij het nooit had meegemaakt dat iedereen zo sereen bleef. Op een moment zei hij: “Rik, nu is het genoeg”. Er is geen hard woord gevallen. De kinderen waren het over alles eens. Het is toch een opluchting dat dat soort dingen goed aflopen. Niemand is kaalgeplukt, alleen ik heb geen geld meer. We mogen ook eens lachen, hé, Hugo.’
Dat de familie bij de verdeling van het bezit zo harmonieus in de plooi is blijven liggen, vervult hem met zo veel trots dat hij er nog een keer op terugkomt. ‘Met geld weet je nooit.’ Is het zijn ouderwets gevoel voor Kempense rechtvaardigheid? Zijn overbodige angst dat het tussen André en Louise nog mis zou gaan? Het is de typische achterdocht van oud-renners.

Rik Van Looy vindt het maar niks dat de klassiekers op een hoopje worden gereden. Koersen is seizoengebonden, weet hij. ‘Je moet de lenteklassieker vanuit zichzelf laten bloeien. Wie Milaan-San Remo wil winnen, mag geen meter kop doen tot aan de Poggio. Anders ben je een vogel voor de kat. Nee, het is zeker niet de mooiste koers. Publicitair is de Primavera aantrekkelijk omdat het de opening van het klassieke seizoen is. Maar je moet je de hele tijd afremmen. Ik had meer gewonnen als ik minder met mijn krachten had gewoekerd. Ik wilde altijd koers maken. Je moet kunnen wachten en dat viel me weleens moeilijk. Vandaag wordt de koers gereden in de auto van de sportbestuurder. Dat staat me tegen, ja. Ik reed te veel voor het plezier van mezelf.’

Militaire voetbalploeg
‘Mijn eerste koers bij de onderbeginnelingen werd ik na negen ronden gedubbeld. Ik voelde me toen nog meer voetballer. Tot ik een fiets kreeg van mijn vader, toen is het begonnen. Ik heb nog in de militaire ploeg gespeeld. Mijn vader was nooit mijn vader, behalve als ik gewonnen had.’

Rik bracht kranten en tijdschriften rond. In die tijd lucratieve business. ‘Ik had wel driehonderdvijftig klanten die ik elke ochtend moest bedienen. Dan leer je fietsen. Kranten bezorgen is optrekken en gas geven. Daar was ik goed in. Ja, dat zijn kwaliteiten van veldrijders. Maar ik reed liever criteriums dan cyclocross. Ik werd er ook goed voor betaald. Rusten achter de Tour was er niet bij. Meestal zat ik aan twintig criteriums, tot in Frankrijk.’
Het zijn andere tijden, zegt hij met iets van weemoed in de stem.
‘Ik kon hard rijden. Maar op training deed ik nooit tweehonderd kilometer, dat had geen zin. Je moet trainen op souplesse en af en toe een sprintje trekken. Ik was wel moe na de training, maar nooit doodmoe. Ik voelde meestal wanneer ik het weekend ging winnen. In de winter lagen wij ook drie maanden stil. Ik moest van dokter Claeys elke dag van Herentals naar Lier rijden en terug. In de bittere kou. In 1953 werd ik beroepsrenner, vervolgens een jaar in het leger en in 1955 ben ik getrouwd. Het stak mij dat Nini met haar café meer verdiende dan ik. Dat heb ik dus gewoon omgedraaid, na twee jaar was ze weg uit het café.

Van Looy heeft alle monumenten gewonnen en deed het dus beter dan Merckx. ‘Naast rivaliteit was er ook respect. Vergeet niet dat Eddy in mijn ploeg is begonnen. Rik Van Steenbergen was er ook bij. Ik wist meteen dat Merckx de beste renner van de wereld zou worden. Maar degene die mij het meest pijn heeft gedaan was Jacques Anquetil. In een tijdrit, uiteraard. Zoals hij de tegenstand kon afbeulen was onmenselijk.’
‘Ik was geliefd, ja. Dat voelde ik bij elke koers. Al helemaal na het incidentrijke WK in Ronse. Ik heb dat WK zelf verloren. Ik hield even in en zag toen pas dat ik vijf meter voorop lag. Door dat manoeuvre kon Beheyt me nog in de laatste meters remonteren. Mensen schreeuwden om wraak, ik niet.’

Zou hij geweten hebben dat hij als renner een mooie jongen was? Karakterkop, een lach op stelten, vuur in de ogen. ‘Ik soigneerde me wel, maar het plezier in de ploeg was toch vooral als we een renner kwijt waren die achteraf in een boom bleek te zitten. Jongensgedoe. In die negen jaar aan het Gardameer hebben we genoeg gelachen voor ons hele leven. Ik had alleen nog meer koersen willen rijden.’

Leve de keizer
Hij gaat even kijken hoe het met Nini is. Hij heeft nog een stevig loopje, niks schuifelt. Terug vraagt hij hoe de Pomerol smaakt. Rik Van Looy is een heer geworden. Hij woont ook mooi en ruim. Gedempt nu:
‘Ik ben al maanden niet meer buiten geweest. Nini wil niet gezien worden in een rolstoel en zonder haar ga ik nergens heen. Gelukkig zijn er de kinderen en de kleinkinderen.’

Mijn hart breekt als ik mijn trotse idool zo roerloos achter zijn biertje zie zitten. Kwetsbaar is hij niet, voor geen meter, maar wel eenzaam. Dochter Louise komt mij plaatsvervangend omhelzen. Pa is niet zo van de aanraking. ‘Pa is wel verstild, ja.’ De koning is een beetje dood, leve de keizer.

Resultaten

345 resultaten

Nummer 1 Leden Inlog

U kunt hieronder inloggen om deel te nemen aan onze lezersacties.