De airbag, dat is het lichaam zelf
Juli uitgave 2026
Als sportarts hoopte ik tijdens elke Tour de France op een rustige werkdag. Die hoop hield meestal maar een paar etappes stand. Bij elke Grand Départ meldde ik mij opnieuw in de medische karavaan van de Tour, de Giro of de Vuelta. Steeds met dezelfde gezonde spanning. Want hoe prachtig de koers ook is, vroeg of laat gaat ergens de pieper.
De eerste dagen van een grote ronde verlopen steevast turbulent. Commentatoren spreken dan over druistige coureurs. Alle renners zijn topfit. In Barcelona kregen ze nog de zegen bij de Sagrada Família. Zo vroeg in de ronde zien ze nog niet op tegen de bergen die verderop wachten. De gashendel gaat dus meteen vol open.
Veertig jaar lang heb ik de acute medische hulpverlening in de wielersport mogen dienen. In die tijd veranderde veel. Ambulances werden beter uitgerust, medische teams professioneler en de hulpverlening sneller. Maar één ding veranderde nauwelijks. Preventie, misschien wel het mooiste woord uit de geneeskunde, blijft in de wielersport vrijwel onbereikbaar. Juist het voorkomen van ernstig letsel blijkt de moeilijkste opgave.
Preventie bestaat niet
Dat wringt. De belangen worden steeds groter. De wielersport is immens populair. Zelfs diep in het vlees snijdende dopingaffaires kregen de sport niet klein. Intussen blijven de gevaren dezelfde: overstekende honden en katten, opdringerig publiek, steeds lichtere fietsen, steeds hogere snelheden en steeds betere renners. Een vervaarlijke mix.
De acute medische hulpverlening staat gelukkig los van de medische begeleiding door de ploegen. Wij zijn er voor de eerste hulp tijdens de wedstrijd; na afloop nemen de ploegartsen het stokje over. In die veertig jaar zag ik hoe de gevolgen van valpartijen veranderden. Bij mijn eerste Nederlands kampioenschap, in Geulle, begin jaren tachtig, bleef het vaak nog bij een schaafwond. Tegenwoordig breken botten als lucifersstokjes. De koers is harder geworden. Niet alleen voor de benen, ook voor de botten.
Wanneer de koers stilvalt
Ik denk nog vaak aan Valkenburg in 2006. Erik Dekker kwam snoeihard ten val. Ik bracht hem met spoed naar het ziekenhuis. Voor hem betekende die val uiteindelijk het einde van zijn carrière. En dan Huy, 2015. Vrijwel het hele peloton schuift onderuit. Ik ontferm me over geletruidrager Fabian Cancellara. Voor het eerst in jaren ligt de Tour de France minuten stil. Alle ambulances zijn bezet.
Fabian wijst zwijgend naar zijn rug. Heel even zoekt hij steun bij mij. Een paar tellen later stapt hij weer op. Dat is wielrennen. Eerst mens, een minuut later opnieuw coureur. Later blijkt een stukje van een ruggenwervel te zijn afgebroken. Die dag betekende voor mij een omslag. Ik stelde mezelf een vraag die me sindsdien is blijven achtervolgen. Is dit nog normaal? Hoever mag een sport gaan?
Het kantelpunt
De wielersport kende eerder zo’n moment van bezinning. Na de fatale val van Fabio Casartelli, die in de Tour met zijn hoofd tegen een betonnen bermafscheiding sloeg, kwam de discussie over de valhelm in een stroomversnelling. Enkele jaren later werd de helm uiteindelijk verplicht.
Sommige beelden verlaten je nooit meer. Ik zie mijn collega Gérard Porte nog altijd voor me: voorovergebogen, terwijl hij het zwaargewonde hoofd van de stervende jonge renner voorzichtig met beide handen omvat. Alsof hij daarmee nog iets kon tegenhouden wat allang onomkeerbaar was. De helikopter kon niets meer uitrichten.
De enige airbag
Ook deze Tour zal, zeker in de eerste week, weer slachtoffers kennen. Anders dan een bokser kiest een wielrenner niet voor de klap. Hij kiest voor de aanval, voor de afdaling, voor de snelheid. Het asfalt kiest vervolgens zijn eigen moment. Tegen het wegdek valt geen vuist te maken.
Ik weet nog altijd niet of de risico’s opwegen tegen de schoonheid, de sportiviteit en de populariteit van deze sport. Langzamer rijden kan niet. Ongelukken volledig voorkomen evenmin. Extra bescherming belemmert de renner.
Tot er een betere oplossing wordt gevonden, blijft de wielrenner zijn eigen airbag. Zijn lichaam vangt de klap op die niemand zag aankomen.

