Nummer 1 - Jan 2012

Tekstschrijver-componist René Verschueren: ‘Succes is nooit garantie voor herhaling’

Het duurt nog wel een tijdje vooraleer met de 11e van de 11e traditiegetrouw het nieuwe carnavalsseizoen wordt ingeluid. Niettemin is de maand augustus cruciaal voor René Verschueren, want elk jaar opnieuw moet hij met het oog op het Grubbevorster Liedjeskonkoers voor 1 september een nieuw carnavalslied op papier hebben staan. De Noord-Limburger geldt als een van de beste carnavalsliedjesschrijvers van Nederland en is bovendien één van de drie dialectzangers van De Toddezèk. Het trio uit Grubbenvorst won met ‘Ni miër en ni minder’ het Limburgs Vastelaovesleedjes Konkoer 2009. Normaal gezien heeft René Verschueren inmiddels zijn muzikale pennenvrucht, waarmee De Toddezèk komende winter opnieuw hopen te scoren, tijdig ingestuurd.

De Toddezèk blijkt een familieaangelegenheid te zijn. Naast René Verschueren (41) is het bekende carnavalstrio samengesteld uit zijn oudere broer Geert (46) en schoonbroer Twan Relouw (40). Stuk voor stuk bekende Limburgse gezichten inmiddels. De Toddezèk hebben immers een mooie prijzenkast bij elkaar gezongen. De bedrijfsleider van een ijssalon (René), P&O-manager Geert en financieel adviseur Twan namen immers ook in 2007 met ‘Heej bliëf ik plekke’ op het Limburgs Vastelaovesleedjes Konkoer de hoofdprijs mee naar huis. Bovendien eindigden De Toddezèk tijdens het LVK 2008 als derde. Tekst en muziek waren telkens van de hand van René Verschueren.
 
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de broers Verschueren en Twan Relouw vorige maand samen met andere bekende Limburgers werden uitgenodigd om deel te nemen aan de Nationale Brand Bier commercial. ‘Daarmee wil de Brand Bierbrouwerij het Limburggevoel vertalen. Daarom hebben ze een aantal herkenbare Limburgse gezichten gevraagd. Wij waren wel vereerd dat De Toddezèk ook uitverkoren waren voor deze bijzondere commercial’, vertelt René Verschueren met gepaste trots.

Voor het succes van De Toddezèk heeft René Verschueren een simpele verklaring. De gebroeders Verschueren zijn thuis muzikaal opgegroeid. ‘Dit zal zeker invloed hebben gehad op mijn huidige manier van schrijven. En Twan als schoonbroer heeft dat ook meegekregen. Het is eigenlijk allemaal begonnen met het Grubbevorster Liedjeskonkoers. Twintig jaar geleden al zong ik daar in verschillende combinaties. Op een gegeven moment, in 2002, schreef ik een liedje dat ik ‘de Toddezak’ noemde. Een toddenzak is zo’n zak die iedereen op zolder heeft staan waarin men allerlei todden en kleding stopt. Als je dan met carnaval niet weet wat je moet aantrekken, ren je de zolder op en trek je
die toddenzak open,’ verduidelijkt René Verschueren. ‘Dat liedje zong ik samen met Geert en Twan. Toen we een naam zochten, besloten we onze groep De Toddezèk te noemen. Zo is het in feite gegaan. Met ‘de Toddezak’ hebben we toen in het carnavalsseizoen 2002/2003 trouwens in de finale van het LVK gestaan.’
 
Heel veel tijd besteedt René Verschueren echter niet aan het schrijven en componeren van zijn carnavalsschlagers. ‘Ik schrijf altijd op het laatste moment. De deadline voor het Grubbevorster Liedjeskonkoers is één september. Dan moet het liedje klaar zijn. Ik ben er halverwege augustus eigenlijk pas voorzichtig mee begonnen. Heb wat regeltjes en tekstwoorden opgeschreven. Ik denk dat ik me volgend weekeinde of het weekeinde daarna een dag afsluit van iedereen. Dan moet ik het liedje er maar uitpersen. Het moet er dan uitkomen, in de hoop dat ik dan weer een goed liedje heb geschreven waarmee De Toddezèk in het nieuwe carnavalsseizoen hoge ogen kunnen gooien,’ gaf René Verschueren enkele weken geleden te kennen. ‘Of ik al een tipje van de sluier kan oplichten? Eigenlijk niet. Vooraf heb ik altijd allerlei ideeën.
Gedurende het jaar noteer ik op papiertjes altijd mooie woorden of leuke uitspraken en stop die in mijn portemonnee. Uiteindelijk heb ik een zakje vol notities. Als ik dan het liedje ga schrijven, ligt de hele tafel vol woorden en uitspraken. Ik kijk vervolgens of ik er iets mee kan en er ook door geïnspireerd word. Zo let ik bijvoorbeeld vooral op heel leuke Limburgse dialectwoorden. Met dit alles probeer ik een beetje te stoeien en te werken. Ik schrijf dan een liedje, maar je weet nooit wat het gaat doen. Als dan vervolgens blijkt dat het lied aanslaat en we de finale van het LVK halen, is het geweldig om op dat podium te staan. Maar je weet nooit van tevoren hoe je kansen liggen. De laatste jaren zijn we er vaak bij, maar voor hetzelfde geld lukt het deze keer niet. Tijdens het schrijven moet je altijd de goede inval hebben, de juiste woorden vinden en de gepaste melodie. Bovendien, succes is nooit een garantie voor herhaling. Ik wil eigenlijk ook niet terugvallen op vorig succes. Een nieuw, inspirerend carnavalsliedje, daar gaat het om. Ik wil iets op papier zetten wat ik de afgelopen twintig jaar nog nooit heb geschreven. Het is nog niet zeker dat ik een liedje klaarkrijg. Het moet voldoen aan mijn eisen, anders lever ik het niet in. Dat is in het verleden al eens voorgekomen omdat ik het zelf niet goed genoeg vond.’
 
Intussen genieten De Toddezèk van hun regionale bekendheid. ‘We hebben de afgelopen jaren twee keer het LVK gewonnen en eindigden een keer als derde. Dan kom je heel vaak op de regionale televisie en wordt onze muziek ook dikwijls op de regionale radio gedraaid. Omdat je dan vaak met je kopje op dat kastje te zien bent, gaan mensen je herkennen. Maar buiten Limburg? Toevallig hebben ze verleden jaar in het Brabantse Cuijk het liedje waarmee we in 2007 het LVK wonnen gecoverd. Dat is in Cuijk toevallig ook nummer één geworden. Toen ik met vakantie in Leiden was, werd ik op het strand door iemand aangesproken met “Zeg, mag ik u wat vragen? Bent u niet van die Toddezakken uit Limburg?” Bleek dat die man uit Den Haag kwam en een keer in de Zoepkoel was geweest. Kijk, zo’n reactie is dan wel leuk.’
 
Voor het nieuwe carnavalsseizoen hebben De Toddezèk al heel wat optredens geboekt. René Verschueren: ‘Vanaf november gaat het weer loos. Carnavalsfeesten, zittingsavonden vooral. Omdat ik in een ijssalon werk en ’s winters vrij heb, kost me dat geen vrije dagen.
Eigenlijk de ideale combinatie, maar mijn broer en schoonbroer moeten wel af en toe een snipperdag opnemen. Dat proberen we wel te beperken. De optredens zijn bovendien meestal in het weekend. Dan hebben Twan en Geert ook vrij.’
 
Ooit was het zijn droom een liedje te schrijven dat gans Limburg mee zou kunnen zingen. René Verschueren kreeg zijn zin. ‘Gewoon super als je zo’n liedje zingt en een voetbalveld of plein vol mensen dat meezingt. Woordelijk. Of kinderen die ons liedje meezingen, geweldig. Toen we in 2007 net het LVK gewonnen hadden, moesten we de volgende dag optreden in Broekhuizervorst. Vooraan stonden kinderen, die ‘Heej bliëf ik plekke’ woordelijk meezongen. Ik stond er werkelijk met kippenvel op het podium, zo greep me dat aan. Daar krijg je dan wel een kick van.’
 
‘Een uit de hand gelopen hobby’, noemt René Verschueren de muzikale carnavalsactiviteiten van De Toddezèk. ‘Absoluut. We worden er financieel niet slechter van, maar de prijzen die wij vragen zijn beslist schappelijk. We willen niet de hoofdprijs vragen, want we willen gewoon overal op kunnen treden, ook bij een buurtvereniging. Afgelopen vastelaovend bijvoorbeeld, hebben we een dag eerst voor twintigduizend man bij het station opgetreden en daarna hebben we in een Sittards kroegje voor honderd man gezongen. Dat heeft allebei zijn charme en dat willen we vooral zo houden.’

toddezek