Nummer 1 - Jan 2012

John Vranken: ‘Vastberadenheid heeft mij naar dit jubileum geloodst’

De loopbaan van John Vranken, directeur en nestor van tijdschrift Nummer 1, in de uitgeversbranche staat bol van de memorabele ontmoetingen en spraakmakende gebeurtenissen. Als beginnend ondernemer drinkt hij bijvoorbeeld op de golfcourse in Zandvoort een blikje bier met Prins Bernard. Maar ook een avondje doorzakken met Fred De Bruine, ex-wielerprof en -reporter, heeft een onuitwisbare indruk achtergelaten. Anekdotes te over, zo leert een amusant onderhoud met deze spraakwaterval. Maar eerst even een sprong terug in de tijd, naar de Wolfstraat in Maastricht, waar een kwart eeuw geleden de geboorte van Nummer 1 werd bezegeld.

Nummer twee
Toenmalig directeur van Dagblad De Limburger Erik Goossens en wijlen Nico Bergkamp, destijds hoofdredacteur bij diezelfde krant, zijn het met John Vranken - voorheen uitgever van het magazine Limburg Sport - eens dat een op dezelfde leest geschoeide gratis kleurenbijlage voor hun abonnees van grote toegevoegde waarde kan zijn. Het concept is uniek in het Nederlandse mediaklimaat en gedrieën wagen ze de sprong. John Vranken: ‘Dagblad De Limburger, anno 1984 nog concurrent van het Limburgs Dagblad, wilde graag over de exclusiviteit van het magazine beschikken. De verantwoording op zowel commercieel als financieel vlak, én daarmee ook alle risico’s, lag volledig bij mij als uitgever. De redactie werd uitbesteed aan het dagblad. Op het hoofdkantoor van Dagblad De Limburger, toen nog gevestigd aan de Maastrichtse Wolfstraat, werd in het bijzijn van de oude heer Duynstee, de advocaat van het dagblad, en Frans Thijssen, de voorzitter van de raad van bestuur van Audet waartoe ook Dagblad De Limburger behoorde, het voorcontract getekend.’ Tijdschrift Nummer 1 is een feit en op 1 juli 1984 valt de eerste uitgave bij alle abonnees van Dagblad De Limburger op de mat. De opmaat voor een lange, nog steeds voortdurende reeks. ‘Iets verderop’, vervolgt Vranken, ‘in café De Bóbbel, werd later die dag op informele wijze de samenwerkingsovereenkomst nogmaals beklonken. Ik weet nog goed dat Frans Thijssen smalend zijn scepsis ten aanzien van Nummer 1 verwoordde met de vraag of ik ook wist wanneer nummer twee zou verschijnen... Twintig jaar na dato liep ik de heer Thijssen per toeval tegen het lijf tijdens een trainingskamp van MVV in Vlissingen (John Vranken bekleedde van 2003 tot 2007 bij MVV de functie van technisch directeur, red.). Vriendelijk deelde ik hem mee dat we inmiddels toe waren aan de tweehonderdste editie. “Jaja, dat weet ik,” stamelde hij. Immers, als oud-directeur kreeg hij Nummer 1 nog steeds toegezonden. Met een geforceerde glimlach drukte hij me ter felicitatie de hand; vervolgens namen we afscheid.’

Voorraadje bier
Als jonge ondernemer wordt John Vranken geaccrediteerd om als toeschouwer het KLM Internationaal Open Golftoernooi in Zandvoort bij te wonen. Tot zijn verbazing wordt hij ingedeeld bij een zeer select groepje spelers. Op de golfcourse, destijds nog uitsluitend bevolkt door de upper class, volgt hij niemand minder dan de (West-)Duitser Bernard Langer, door kenners getipt als winnaar van het toernooi, voorts de toenmalige voorzitter van de raad van bestuur van de NMB Bank en Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard. ‘Daar stond ik dan’, blikt Vranken terug. ‘Strak in het pak, mooie stropdas. Ik zag er werkelijk gelikt uit. Zie ik daar allemaal mensen rondlopen gehuld in rare, geruite broeken en strakke poloshirtjes en met kekke petjes op het hoofd. Ook hadden ze spijkers onder hun schoenen. Ik had immers niks met golfen en wist van toeten noch blazen. Het was erg warm, dus stropdas en jasje verdwenen al snel. Nadat ik mij had gemeld bij mijn groep, raakte ik in gesprek met wat andere toeschouwers en spelers. Eén van hen was Ben Pon, de eerste importeur van Volkswagen in Nederland en ten tijde van het toernooi directeur van Porsche Nederland. Hij vroeg: “En wat is uw handicap?” Het gebeurt niet vaak, maar toen stond ik met mijn mond vol tanden. Ik wist in de verste verte niet waar die man het over had. Pas na een aantal holes wist ik in grote lijnen hoe de spelregels van de golfsport in elkaar staken.’
Op hole nummer tien verschijnt de publieke omroep ten tonele. ‘Om de afslag van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard te filmen. Wat ik als eerste had opgepikt, was dat je bij de afslag, de tee, muisstil moest zijn. Bij de publieke omroep was dat blijkbaar nog niet helemaal doorgedrongen, want de crew bleef nogal rumoerig. De adellijke afslag werd daardoor danig verstoord, waarop het balletje naar een plek zeilde die de prins vooraf niet beoogd had. Wat daarop volgde was een uitbrander van formaat. Laat ik het zo zeggen: het gebezigde vocabulaire was niet terug te vinden in Koenen en Van Dale. De opnames werden overigens terstond afgebroken.’
Die dag bereikt het kwik hoge waarden. Dorst kan slechts sporadisch worden gelest bij een enkel waterkraantje. John Vranken: ‘Prins Bernhard had de situatie echter goed ingeschat. Zijn caddie sjouwde behalve een aantal golfclubs eveneens een voorraadje bier mee. Geregeld overhandigde hij ook zijn gezelschap een koel blikje. Na hole 18, godzijdank de laatste, verrekte ik inmiddels van de dorst. Op dat moment stapte de prins op mij af en vroeg of ik ook een blikje Heineken beliefde. Zo stonden we gezamenlijk op een snikhete golfbaan te keuvelen met een blikje bier. Onvergetelijk.’

Humor op het sterfbed
Tijdens de eerste rustdag van de Tour de France in 1981 ontvangt John Vranken een uitnodiging om in Morzine-Avoriaz een avond te tafelen met Fred De Bruyne, de Belgische ex-wielrenner die in de 50’er jaren furore maakte in het profpeloton. In Frankrijk doet hij voor de Belgische televisie als reporter verslag van la Grande Boucle. John Vranken: ‘Die man vertelde me zijn hele levensverhaal. Hoe later het werd, hoe emotioneler zijn relaas, vanzelfsprekend versterkt door de nodige glaasjes vin rouge. Gekluisterd aan zijn lippen en met stijgende verwondering nam ik elk woord in mij op. Hij verhaalde over zijn moeilijke jeugd, over zijn leven als zoon van een vader die tijdens de Tweede Wereldoorlog fout was geweest. Iets waar hij voortdurend mee werd geconfronteerd; ook tijdens het wielrennen werd hij luid uitgejouwd. De manier waarop hij daarover vertelde, legde de impact bloot die dat had op zijn bestaan. Ook het abrupte einde van zijn wielercarrière in 1960 door een zwaar verkeersongeval kwam ter sprake. Zijn toon veranderde toen hij sprak over de periode dat hij met Rik Van Steenbergen, een van de beste wielrenners die
België heeft voortgebracht, koerste. Dat deed hij met ontzag, want nog steeds is Van Steenbergen voor De Bruyne een afgod. Hij ontfermde zich over De Bruyne, werd zijn vriend. Fred ging derhalve voor hem door het vuur, was zijn meesterknecht. Zo ook tijdens het wereldkampioenschap wielrennen op de weg in het Deense Kopenhagen in 1956. De Bruyne maakt in de laatste kilometers van de koers deel uit van de kopgroep met verder Rik Van Steenbergen, landgenoot Rik Van Looy en de sterke Nederlander Gerrit Schulte. In de laatste ronde kwam de oude, zoals De Bruyne Van Steenbergen altijd noemde, naast hem fietsen en vroeg of hij voor hem de sprint aan wilde trekken. Ook Van Looy stelde hem even later dezelfde vraag. Het laat zich raden wie die dag wereldkampioen werd. Van Looy heeft hem dat overigens nooit in dank afgenomen. Bescheiden als De Bruyne was en met dat niet aflatende, diepe respect voor Van Steenbergen, gaf ik het gesprek een andere wending en confronteerde hem met zijn eigen indrukwekkende palmares. De Bruyne won immers diverse klassiekers, waaronder drie keer Luik-Bastenaken-Luik, twee keer Parijs-Nice, Milaan-Sanremo en Parijs Roubaix, en ook in de Tour de France en kleinere etappekoersen veroverde hij stapels eremetaal. Nu zegevierde de emotie; De Bruine begon spontaan te janken. Een ontroerend tafereel. Later die avond stelde hij me en passant voor aan monsieur chrono, vijfvoudig Tour-winnaar Jacques Anquetil. De grote Anquetil, die gedurende zijn wielercarrière voortdurend in tweestrijd was met landgenoot en rivaal Raymond Poulidor. Tot frustratie van Poulidor zag hij aan de meet vaker de hielen van Anquetil dan andersom. Toen Anquetil ernstig ziek was en niet lang meer zou leven, verscheen ook Poulidor aan zijn ziekbed. Anquetil sprak toen de legendarische woorden: “Raymond, nu heb ik u weer geklopt, ge zijt weer tweede.” Humor op het sterfbed, mooi. Niet veel later sloot wielerlegende Anquetil definitief zijn ogen.’

Beproevingen
Vorenstaande heeft Vranken aan het denken gezet, evenals de vele onbeschreven ontmoetingen en gebeurtenissen. ‘De weg omhoog zit vol obstakels en gevaren; zowel in de sport als maatschappelijk. Passie en bevlogenheid kunnen dat pad effenen. En soms moet je diep kunnen gaan. Ik heb getracht op eenzelfde wijze Nummer 1 te leiden, met een grote vastberadenheid. Je krijgt immers niets voor niets in het leven. Ja, afgunst, dat wel. Afgunst gaat nu eenmaal hand in hand met succes. Door op moeilijke momenten karakter te tonen, sterk te zijn, ben je in staat de vele beproevingen het hoofd bieden. Kijk maar eens wat iemand als Fred De Bruyne heeft moeten doorstaan en wat hij desondanks bereikt heeft. Dat staat voor altijd in mijn geheugen gegrift.’

 

 

john1